Partneralimentatie: zo werkt de 60%-regel (en hoelang je betaalt)
De hofnorm geeft de ex-partner 60% van het oude gezinsinkomen als behoefte. Hoe de rechter rekent, hoelang je betaalt sinds 2020 en wat de fiscus doet.

Bij partneralimentatie duikt steeds hetzelfde getal op: 60%. Het is de vuistregel waarmee rechters bepalen hoeveel een ex-partner nodig heeft om na de scheiding op een vergelijkbaar niveau te leven. Officieel heet het de hofnorm, en de Expertgroep Alimentatienormen beschrijft hem in het Rapport Alimentatienormen van januari 2026 als een heldere maatstaf die een reële schatting van de behoefte geeft. Maar 60% van wat precies? En wat zegt dat over het bedrag dat uiteindelijk wordt betaald? Daarnaast speelt sinds 2020 de duur een grote rol: niet meer twaalf jaar, maar meestal hooguit vijf. Zo werkt het.
De 60%-regel: behoefte, niet bedrag
De hofnorm gaat over de behoefte van de partner die alimentatie vraagt, niet over wat de ander moet betalen. De redenering: twee aparte huishoudens kosten samen meer dan één gezin. Daarom is de helft van het oude gezinsinkomen niet genoeg om op hetzelfde niveau te leven; 60% is dat volgens de rechtspraak wel.
De berekening gaat zo. Je neemt het netto besteedbaar gezinsinkomen van vóór de scheiding. Waren er kinderen, dan trek je daar eerst het eigen aandeel in de kosten van de kinderen van af; dat bedrag komt uit dezelfde tabel die voor kinderalimentatie wordt gebruikt. Van wat overblijft is 60% de huwelijksgerelateerde behoefte. Daar gaat vervolgens het eigen inkomen van de vragende partner vanaf, of het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verdienen. Het restant is de resterende behoefte: het bedrag waar de alimentatie maximaal op uitkomt.
Dat is nog maar de helft van het verhaal. De betalende partner moet het ook kunnen missen. Daarvoor berekent de rechter de draagkracht: het netto inkomen min een woonbudget en de vaste kosten van levensonderhoud. Van die ruimte is voor partneralimentatie 60% beschikbaar; 40% blijft vrij. Kinderalimentatie gaat altijd voor. De alimentatie is het laagste van de twee: de resterende behoefte of de beschikbare draagkracht. Wie de hofnorm onredelijk vindt in zijn situatie, mag dat bij de rechter onderbouwen; de norm is een vuistregel, geen wet.
Rekenvoorbeeld uit het rapport
De expertgroep rekent het zelf voor. Partner A verdiende netto €4.000 per maand, partner B €2.000. Het gezin had twee kinderen met een eigen aandeel van €1.375 per maand.
- Netto gezinsinkomen: €6.000. Af: kosten kinderen €1.375. Beschikbaar voor de partners: €4.625.
- Behoefte volgens de hofnorm: 60% van €4.625 = €2.775 per maand.
- Eigen inkomen van B: €2.000. Daarvan gaat €100 naar de kinderen (het aandeel van B in de kinderkosten min het kindgebonden budget), dus €1.900 is voor B zelf beschikbaar.
- Resterende behoefte: €2.775 min €1.900 = €875 per maand.
Of A die €875 ook betaalt, hangt af van zijn draagkracht na aftrek van de kinderalimentatie. Komt die lager uit, dan is dat het bedrag. Met onze rekentool voor partneralimentatie maak je dezelfde som met je eigen cijfers en zie je direct of de behoefte of de draagkracht de grens bepaalt.
Hoelang betaal je?
Sinds 1 januari 2020 geldt de Wet herziening partneralimentatie. De hoofdregel: de duur is de helft van de duur van het huwelijk of geregistreerd partnerschap, met een maximum van vijf jaar. Na acht jaar huwelijk betaal je dus vier jaar; na twintig jaar huwelijk vijf jaar, als geen uitzondering geldt. Daarop bestaan drie uitzonderingen:
- Zijn er kinderen onder de 12, dan loopt de alimentatie door tot het jongste kind 12 is.
- Duurde het huwelijk langer dan 15 jaar en krijgt de ontvanger binnen 10 jaar AOW, dan loopt de alimentatie tot de AOW ingaat.
- Duurde het huwelijk langer dan 15 jaar, is de ontvanger geboren op of vóór 1 januari 1970 en duurt het nog meer dan 10 jaar tot de AOW, dan is de duur 10 jaar.
Komt de ontvanger na afloop in ernstige financiële problemen, dan kan hij of zij de rechter om verlenging vragen. Voor scheidingen van vóór 2020 gelden de oude regels, met een maximum van twaalf jaar. Partners kunnen in een convenant ook zelf een andere duur of een ander bedrag afspreken.
Belasting en indexering
Partneralimentatie is fiscaal tweerichtingsverkeer. De betaler mag het bedrag aftrekken in de aangifte inkomstenbelasting, maar in 2026 tegen maximaal 37,56%, ook als het inkomen in de hoogste schijf van 49,50% valt. Een alimentatie van €1.000 per maand kost een betaler met een hoog inkomen daardoor netto €624. De ontvanger moet het bedrag opgeven als inkomen en betaalt er belasting over, plus mogelijk de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Kinderalimentatie is niet aftrekbaar en niet belast.
Elk jaar stijgt de alimentatie automatisch mee met de wettelijke indexering; per 1 januari 2026 was dat 4,6%. Dat geldt ook als het niet in het convenant staat.
Alle bedragen hierboven zijn indicaties. Rechters volgen de normen van de expertgroep, maar wegen altijd de persoonlijke omstandigheden mee en kunnen gemotiveerd afwijken. De regels over de duur staan toegelicht bij de Rijksoverheid. Wil je weten waar je staat, begin dan met de rekentool en neem de uitkomst mee naar een mediator of advocaat.